De meeste Nederlanders zullen weleens een beeld van Fioen Blaisse hebben gezien, zonder zich af te vragen door wie het was gemaakt. Gekend maar niet bekend.

Fioen Blaisse, die 29 februari op 80-jarige leeftijd overleed in haar woonplaats Amsterdam, was een van de aansprekende beeldhouwers van het land

Fioen Blaisse werd in 1932 geboren als tweede dochter van het echtpaar Kramer. Haar vader was violist bij het Concertgebouworkest, dat in die tijd onder leiding van Willem Mengelberg als het beste orkest ter wereld gold. Haar vader overleed echter toen ze pas zes jaar was. Haar moeder – een pianiste – overleed eveneens jong. Niettemin kreeg ze in haar kinderjaren de muziek met de paplepel ingegoten. Vanaf haar vijfde volgde ze al vioolles en tot op hoge leeftijd bleef ze vioolspelen in kwartetten en ensembles.

Maar uiteindelijk koos ze, na in de na-oorlogse jaren eerst administratief werk te hebben gedaan, voor een opleiding in de beeldende kunst. Aan de Opleidingsschool voor tekenleraren volgde ze een cursus portretboetseren. Ook werkte ze regelmatig in de studio van beeldhouwer en graficus Paul Koning, bij wie ze in contact kwam met vooruitstrevende kunstenaars.

Op haar 26ste jaar begon ze aan een opleiding aan de Gerrit Rietveld Academie. Ze koos niet voor de abstracte vormen van vele van haar tijdgenoten, maar juist voor beelden waarin het figuratieve element overheerste. Haar eerste opdrachtgevers waren vooral particulieren, maar in 1968 maakte ze haar eerste beeld in het kader van een openbare opdracht – een bronzen olifant voor het kindertehuis Amstelland in Amsterdam. Later maakte ze onder meer het bijna twee meter hoge beeld Danseres met tamboerijn voor de Maliebaan in Utrecht.

In 1954 trouwde ze met Erik Blaisse, psycholoog en eigenaar van de likeurstokerij Van Zuylekom. Naast muziek werd de dans de belangrijkste inspiratiebron voor haar werk. Veel van haar beelden waren dan ook danseressen. Bij haar tentoonstelling in de Utrechtse galerie Quintessens in 2003 schreef ze zelf een toelichting. ‘Het gaat niet om wat je ziet, maar om wat je voelt. En om dat gevoel in beeld te brengen, is een ware zoektocht.’

Vanaf 1960 trok ze zich vijf dagen per week terug in haar atelier aan de 3de Wittenburgerdwarsstraat in Amsterdam, waar ze in alle rust geconcentreerd kon werken. Hier was ze volgens haar man intens gelukkig. Ze maakte toen haar beelden – vooral danseressen – in gips. Vervolgens werden ze in brons afgegoten. Niemand hoefde te poseren, want ze werkte uit haar herinnering. ‘Fioen beeldt geen gezichten af, omdat het geen afbeeldingen van bestaande personen zijn. Het zijn verbeeldingen van essenties van dans en daarmee van het leven’, aldus Arjen Oosterman. ‘Zelfs haar vroege buffels zijn al veel meer expressie van ‘buffelachtigheid’, van een bepaald soort onverzettelijke aanwezigheid, dan afbeelding van drie dieren in Artis.’

Het beeld De Waterbuffels verrees in Bilthoven en al snel waren haar standbeelden overal te zien: Wind in de zeilen in Brielle, Danseres in concentratie in het stadswandelpark van Eindhoven, Portret van J.S. Bach in Muziekcentrum Vredenburg in Utrecht en Vrouw met vlinder in Nijmegen.

Fioen Blaisse kreeg in 1998 de Singerprijs voor haar hele oeuvre. Hetzelfde jaar opende koningin Beatrix een expositie in de Beurs van Berlage waarin werk van Blaisse was opgenomen. In 2010 moest ze met werken stoppen toen ze bij een val hersenletsel opliep. Uiteindelijk werd een longontsteking haar dit jaar fataal, precies op het moment dat in galerie Quintessens een nieuwe tentoonstelling van haar werk werd geopend.